Hoe Nicolaas Bidloo (1673/4–1735) de medische cultuur van Amsterdam naar Moskou bracht

In: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 34 (2011), 1, 5-33.••klik voor dezelfde tekst in PDF (met iets minder plaatjes)

De Amsterdamse arts Nicolaas Bidloo is beroemder in Rusland, waar hij stierf, dan in Nederland, waar hij geboren werd. In Rusland wordt hij geëerd omdat hij in 1707 in Moskou het eerste ziekenhuis en de eerste medische opleiding oprichtte.

In Nederland is hij pas sinds 1975 bekend, niet als medicus, maar als tekenaar.1 Bidloo tekende in Moskou voor zijn kinderen in twintig bladen zijn tuin aan de rivier, zijn trots en troost. Deze tekeningen kwamen na lange omzwervingen in 1966 naar Nederland terug en waren in 1989 te zien in Amsterdam en in Moskou in een tentoonstelling die ik hielp maken.2 Sindsdien kom ik zijn naam regelmatig tegen in Russische bibliotheken en archieven. In Sint-Petersburg worden in de bibliotheek van de Academie van Wetenschappen zijn ontwerpschetsen voor triomfpoorten en tuinversieringen bewaard en in de bibliotheek van de Militair Medische Academie het manuscript van zijn Instructio in de anatomie en de chirurgie. Een tijdgenoot noemt Bidloo in zijn dagboek, omdat in zijn ziekenhuis toneelstukken werden opgevoerd.

Als we bedenken dat het aanleggen van een tuin voor aardse genoegens, het afbeelden ad vivum van de natuur, het uitdragen van kennis over het menselijk lichaam, een ziekenhuis en toneelvoorstellingen voor Rusland volslagen nieuw waren, lijkt het erop dat Nicolaas Bidloo zijn Amsterdamse leven meenam naar Moskou en dat dit Amsterdamse leven in Moskou blijvende sporen heeft nagelaten. Waar Leibniz opschepte dat hij zo’n zin had om de ‘tabula rasa’ van Rusland met kunsten en wetenschappen te beschrijven3 maar dat niet deed, bewerkte Bidloo zorgvuldig dit ‘caal land, daer nog geen loof en gras wies’ en slaagde erin de Amsterdamse anatomisch-chirurgische experimentele traditie te planten en blijvend te doen groeien.

Nicolaas Bidloo tekende zijn tuin in Moskou aan de rivier de Jauza

Over de tuinkunst van Bidloo is veel uitgezocht 4, hier wil ik andere aspecten van Bidloos nalatenschap beschrijven aan de hand van drie van zijn geschriften: ten eerste het onbekende Togt van Moscow naar Waaronitz, een verslag van zijn aankomst in Moskou en zijn eerste reis met de tsaar, dat ik in afschrift in het Nationaal Archief vond, 5 ten tweede zijn cursus anatomie en chirurgie, de Instructio (1710), in Russische vertaling uitgegeven door de medisch historicus N.A. Oborin,6 en ten derde zijn Schetz bij de tekeningen tot een aandenken voor mijn kinderen en familje, gepubliceerd door D. Willemse.7

Hoe wordt een Amsterdamse arts oprichter van een ziekenhuis in Moskou?

Nicolaas Bidloo was in 1702 als lijfarts in dienst getreden van Peter I. De twee mannen waren leeftijdgenoten: Peter was maar één of twee jaar ouder dan Nicolaas. Als lijfarts moest Bidloo de tsaar volgen op al zijn militaire expedities, maar vanwege problemen met zijn gezondheid kon hij diens tempo niet bijhouden. Peter was in die jaren bezig een toegang tot de zee te veroveren, hij wilde een venster op het Westen openen. In 1703 had hij Sint-Petersburg gesticht, de Peter en Paul-vesting was gereed gekomen, de bouw van huizen kon beginnen, maar hij moest nog wel de wijde omtrek van zijn beoogde nieuwe hoofdstad op de Zweden veroveren. Het kamperen en rondreizen op karren en sleden viel Bidloo zwaar en in 1706 wilde hij ontslag nemen, wat zou neerkomen opcontractbreuk: hij moest nog twee jaar dienen, tot 1708. De tsaar bedacht een alternatief, zo vertelt Bidloo:

‘Naar dat ik Lijfdocter bij zijn Keijserlijke Maj., Hoogloffelijker memorie, in Rusland quam, en eenige Jaeren hem overal gevolgd had, en ijndelijk om mijn indispositie en swackh[eid], niet langer volgen konde, en biddende om naar mijn Vaderland te mogen vertrecken, zo behaagde het hem mij te bevelen een Hospitaal bij de duijtsche Slabode of Voorstad te bouwen, en daar in Patiente cureren en 50 studenten in de Anatomie & Chijrurgie te doceren’.8

Was dit initiatief uitgegaan van de tsaar of van Bidloo? Bidloo zou de tsaar herhaaldelijk op de noodzaak van een ziekenhuis met een opleiding hebben gewezen.9 Hoe dat ook zij, het ziekenhuis kwam er, in Moskou, en Bidloo introduceerde er de nieuwste medische praktijk, nieuw voor Rusland, maar ook voor Europa. Nieuw in zijn ziekenhuis was de combinatie van onderwijs met patiëntenzorg, want dat gebeurde nog vrijwel nergens. Nieuw was ook dat patiënten van alle rangen in zijn ziekenhuis terecht konden. Bidloo kon duidelijk veel voor elkaar krijgen. Toen het ziekenhuis in 1721 afbrandde – het was van hout – bedong hij, in een periode dat elke steen in het rijk gereserveerd was voor de bouw van Sint-Petersburg, dat het in steen herbouwd zou worden of althans met een fundering van steen, hij voegde zijn bouwtekening erbij.10 Nieuw was ook dat de dagelijkse organisatie van het ziekenhuis zo doordacht was opgezet, dat het na Bidloo’s dood kon blijven functioneren. Jaren later zou tsaar Paul I het ziekenhuis van de grond af opnieuw laten opbouwen. Dat gebouw staat er nog steeds.

Een verklaring voor de resultaten die Bidloo kon boeken moet gezocht worden in het feit dat hij het voor elkaar had gekregen dat zijn ziekenhuis organisatorisch rechtstreeks onder tsaar Peters Kabinet viel. Zo kon Bidloo aan middelen komen zonder bemoeienis van de Apothekerskanselarij, een instelling waar alle apotheken en alle artsen onder ressorteerden, te vergelijken met een ministerie van gezondheid. Van grote invloed op het succes van de opleiding was zijn inzicht dat de diploma’s die hij zijn studenten liet behalen aantoonbare waarde moesten hebben. Hij regelde dat ze gezegeld werden met Peters Staatszegel.11

Bidloo introduceerde een westers type geneeskunst in Rusland. Vóór hem waren er in Rusland altijd wel buitenlandse artsen geweest die West-Europese geneeskunst leverden aan het hof en de voornaamste edelen. Ook waren er voor deze kleine groep altijd wel moderne geneesmiddelen beschikbaar geweest, bereid door buitenlandse apothekers. Maar de in de rest van Europa gangbare geneeskunst was in Rusland, voordat Bidloo Russen ging opleiden, niet verder doorgedrongen. De houding ten opzichte van geneesmiddelen en artsen was primitief. In 1665 had bijvoorbeeld de jonge burgemeesterszoon Nicolaas Witsen zich in Moskou erover verwonderd dat Russen, uit hofkringen, elkaars geneesmiddelen overnamen zonder eerst een dokter gezien te hebben.12

Het hospitaal

Bidloo moest met zijn studenten van de grond af aan beginnen. Hij doceerde de werking van planten in een hortus bij het ziekenhuis, chirurgie en anatomie in een anatomisch theater en op zaal. Bidloos studenten waren in meerderheid, misschien wel zonder uitzondering Russen: niet alle namen van zijn leerlingen zijn bekend. Peter had al wel handboeken in het Russisch laten vertalen maar nog geen enkel medisch handboek.

Bidloo zijn handgeschreven cursus anatomie

Medische literatuur werd in de rest van Europa uitsluitend in het Latijn gepubliceerd en colleges werden in het Latijn gegeven. In Rusland echter kende vrijwel niemand de internationale geleerdentaal. Er bestond geen systeem van Latijnse scholen, er waren geen universiteiten. Bidloo betrok zijn studenten van een Latijnse school, opgericht door dominee Ernst Glück (1654-1705), die van 1703 tot 1712 bestond. Glück was in 1702, tijdens de Noordse oorlog, krijgsgevangen gemaakt en verplicht in Moskou te wonen. Na zijn dood in 1705 werd de school voortgezet door de Duitse intellectueel Johann Werner Pause (1670-1735). Aan de tsaar rapporteerde Bidloo dat hij zijn leerlingen Nederlands en Latijn liet leren. Bidloo op zijn beurt kende geen Russisch. Hij had het, toen hij net in Moskou was, wel willen leren, maar het wilde daarmee niet echt vlotten. Dat zijn taalprobleem bleef bestaan blijkt uit Bidloos woedende klacht toen hem in 1704 zijn tolk werd afgenomen. Zijn leerboek Instructio schreef hij in het Latijn. Hij geeft daar soms tussen haken Russische woorden voor ziektes en lichaamsdelen ter verduidelijking van de Latijnse termen. Hij kende blijkbaar wel enige woorden Russisch. Het hospitaal ging op 21 november 1707 open en op die dag werden de eerste zieken opgenomen.13
Het Hospitaal “Gesicht van des Riviers zijde met het Hospitaal daar naast gelegen & de zlabode [voorstad] & Le Forts huijs int verschiet’. (Tekening van Nicolaas Bidloo Universiteitsbibliotheek Leiden, Bijzondere Collecties, sign. BPL 2727, nr. 5)

De eerste die zijn bezoek aan het ziekenhuis beschrijft, is de Deense gezant Just Juel, die vol lof was. Hij bekeek in februari 1710 de medische bibliotheek en merkte op dat er boeken in alle mogelijke talen aanwezig waren.14 Hetzelfde jaar bezocht de schilderende reiziger Cornelis de Bruyn (1652-1716?)

het nieuwe gasthuis voor zieken en gequetsten, zynde in de lengte van hout gebout […]. Het bestaet in twee partyen. In de eerste vint men zeven bedtsteden, elke voor twee personen, en in het midden negen, elke voor een mensch: aen de vensterzyde weder tien, elke voor twee menschen. Zoo is ook de andere party. Elke party heeft drie ovens of stoven. Tusschen de twee verdiepingen is de snykamer. De bovenste verdieping bestaet in veel kleene kamers, als een voor den arts van het gasthuis, een tot dienst van den apoteker, en een voor de wontheelers. De apoteek bestaet in drie kamers. Twee zijn ’er voor de geneesmiddelen, en een voor de droogen en kruideryen waer van de geneesmiddelen toegestelt worden’.15

Vier jaar en drie maanden na de start rapporteerde Bidloo de tsaar wat zijn leerlingen leerden: ‘Nederlands en Latijn, chirurgie op basis van anatomische lessen en op basis van patiënten, hem [nl. Bidloo] toegezonden’. Er zijn vijftig leerlingen aangenomen, daarvan bleven er 33, stierven er zes, liepen er acht weg, werden er twee overgeplaatst, en is er een aan de soldaten overgedragen wegens drankmisbruik.16 Een eerste lichting van vier chirurgen studeerde af in 1712, in 1713-1714 gevolgd door een tweede en derde lichting van in totaal nog achttien chirurgen. 17

Bidloo zorgde dat zijn afgestudeerde chirurgen werden aangenomen in overheidsdienst en bekritiseerde de negatieve houding van buitenlandse artsen en chirurgen die al in Rusland werkzaam waren. Hij prees zijn alumni aan: ‘Zij beschikken niet alleen over kennis van een of andere ziekte die zich in het lichaam voordoet en bij de rang van chirurg hoort, maar ook over algemene kennis van alle ziekten, van hoofd zelfs tot de voeten en de gewone en speciale behandelingen hoe deze te genezen. Zij zijn heel succesvol afgestudeerd’.18 ‘In het Hospitaal verbleven sinds het begin 1.996 mensen, 1.026  genazen, er zijn er nu [vier jaar en drie maanden later] 142 aanwezig’.19

Instructio de chirurgia in theatro anatomico studiosis

Op 3 januari 1710 had Bidloo zijn Instructio de chirurgia in theatro anatomico studiosis in het net afgeschreven. Op het titelblad noemt hij zich ‘S[ijne] Tz[aarse] M[ajesteits] Archiater’. De titel van archiater, opperarts, gaf hem het recht zich direct tot de tsaar te wenden. 20 Bidloo had zijn Instructio niet geïllustreerd, ook niet met illustraties van anderen. Het is niet bekend of hij plannen had zijn handschrift te laten illustreren. Oborin wijst in dit verband op een prent van Adriaan Schoonebeek, die in Moskou werkte toen Bidloo arriveerde. Schoonebeek maakte een prent van een gewonde soldaat die een fikse houw over zijn gezicht had gekregen, gezien van voren en gezien van opzij. Het is de enige prent met een medisch onderwerp in het Rusland van die tijd. Bidloo kende het werk van Schoonebeek, maar er is waarschijnlijk geen verband met zijn Instructio: Schoonebeek stierf al in 1705. Het manuscript, in 1963 ontdekt door Oborin, telt 1.306 pagina’s. Het is de eerste in Rusland geschreven medische verhandeling.21 Het lesprogramma van de Instructio is volgens Oborin niet revolutionair vergeleken met soortgelijke Europese cursussen. Opvallend is dat Bidloo de bloedsomloop (beschreven door William Harvey in 1628) niet noemt, maar, zegt hij, daarin stond hij niet alleen: zijn tijdgenoot Lorenz Heister (1683-1758) deed dat in zijn leerboek chirurgie uit 1719 evenmin. Bidloo deed vooral vaak een beroep op het gezond verstand van zijn studenten. Oborin wijst tientallen plaatsen aan waar Bidloo hen opdraagt bij hun eigen verstand te rade te gaan: ‘Je begrijpt zelf, als zich dit voordoet, hoe je dat op moet lossen’ staat er herhaaldelijk bij beschrijvingen van mogelijke complicaties. Bidloo leerde zijn leerlingen nadenken.22 Als docent deed hij nooit uit de hoogte, hij liet zich niet voorstaan op zijn kennis en gebruikte nooit zijn autoriteit. Hij leerde zijn studenten zelf te leren van hun ervaringen, zichzelf te verbeteren en te leren van de voorbeelden die hij ze gaf.23

Als ze in overheidsdienst traden, kregen Bidloos chirurgen een rang in de rangentabel die Peter in 1721 had ingevoerd en konden daarmee automatisch van adel worden. Dat laatste was een hervorming die beoogde dat men, opklimmend in de rangentabel, door verdienste tot de adelstand kon gaan behoren en niet langer alleen door geboorte.24

Bidloo zette voor Peter een medisch systeem op dat de revolutie van 1917 overleefde en dat tot de dag van vandaag voortbestaat.25

Een doopsgezind medicus uit Amsterdam

Nicolaas groeide op met een jongere broer, Johannes, die op Lissabon ging handelen 26 en twee zussen, Maria en Celia, die we kennen omdat zij na de dood van hun vader zijn zwanenzang bezorgden, een op rijm gestelde geschiedenis van het Joodse volk.27 De geboortedata van de vier kinderen zijn niet te achterhalen omdat zij niet in de gewone kerkelijke doopregisters voorkomen. Hun vader was doopsgezind en dat hield in dat de kinderen, als zij volwassen waren, zelf moesten besluiten zich wel of niet te laten dopen. Nicolaas groeide voorbeeldig op, en tekende al als jongen. ‘Zo munt gy uit, als uw penseel, in ’t kunstig maalen, […] O braave Telg! die vroeg, zo groot een glory won’ dichtte de bekende dichteres en uitgeefster Katharyne Lescailje bij zijn zeventiende verjaardag.28    Hij schilderde dus ook. We kennen twee portretten van zijn hand. Een is een portret van zijn grootvader Govert Bidloo de Oude waarover Lescailje dichtte:

De jonge Neef, reeds om zyn kunst van elk gepreezen,

Beeld met een meesters hand Grootvader Bidloo af.29

Deze grootvader van Nicolaas was hoedenstoffeerder van beroep en in Amsterdam geboren. Overgrootvader, Jean de Bidloo, een leerhandelaar, was afkomstig uit Luik en op 15 september 1600 poorter geworden van Amsterdam.30 Bidloos portret van zijn grootvader is waarschijnlijk niet bewaard gebleven. Het andere portret van Nicolaas’ hand bleef bewaard als prent. Bidloo portretteerde de in 1695 jonggestorven Michael Fortgens, geliefd leraar (predikant) in gebouw De Zon, waar de doopsgezinden bijeenkwamen die zich wilden afzetten tegen de liberalere meerderheid.

 

Portret van Michaël Fortgens, getekend door Nicolaas Bidloo en gegraveerd door Jacob Folkema, met versregels van Adriaan Spinneker. (Stadsarchief Amsterdam, Collectie tekeningen en prenten)

Ook Nicolaas kerkte in De Zon. Zijn oerconservatieve vader, Lambert Bidloo,had tot die afscheiding bijgedragen met boeken en pamfletten. Michael Fortgens was een tien jaar ouder dan Nicolaas en begin dertig toen hij overleed. Het portret dat Nicolaas van hem maakte is tweemaal in prent gebracht, elk met een ander gedicht eronder.31 De makers van de gedichten, Lambert Bidloo en Adriaan Spinneker, vertegenwoordigden  twee onverzoenbare standpunten onder de mennonieten. Lambert Bidloo c.s., de Zon-isten, wilde de geloofsbelijdenissen van de mennisten-martelaren dwingend voorschrijven. Spinneker was veel liberaler. Hij was een leerling van Galenus Adriaansz, de leidende kracht van de meerderheid onder de doopsgezinden, de Lam-isten, die in gebouw Het Lam bijeenkwamen. Zij waren er van overtuigd dat elke gelovige zelf verantwoordelijk was voor zijn geloof en dat er dus geen door mensen opgelegde geloofsregels behoorden te zijn. Mensen zijn maar mensen en dus feilbaar.

Bidloo’s moderne medische opleiding

Wat Nicolaas naast portretten maken nog meer heeft geleerd, daarnaar is het gissen. Zijn grootvader had zijn zoons Lambert en Govert indertijd in de leer gedaan bij respectievelijk een apotheker en een chirurgijn. Zij leerden hun vak via het leerlingenstelsel. Als je een jaar of twaalf was en een bezem kon hanteren, kon je als leerling beginnen. Lambert, Nicolaas’ vader, kende behalve Latijn ook nog Grieks, Italiaans en Hebreeuws. Oom Govert kende Latijn. Misschien hadden zij, voor zij hun opleiding via het leerlingenstelsel begonnen, eerst de Latijnse school doorlopen? Had Nicolaas soms dezelfde route als zijn oom Govert gevolgd, eerst in de leer bij een chirurgijn voordat hij zijn doktersgraad aan de universiteit behaalde? Over deze route werd vaak smalend gezegd: van barbier naar arts. Over het niveau van chirurgijns werd verschillend geoordeeld. Ja, zij knipten en schoren, maar de beste onder hen zetten ook gebroken ledematen, voerden operaties uit, sneden nierstenen en hadden een praktijkervaring die de theoretisch geschoolde, universitair opgeleide artsen meest ontbeerden. De Engelse arts John Locke, die tijdens zijn verblijf als politiek vluchteling in Amsterdam omging met een aantal Nederlandse artsen, onderkende die ‘combinatie van kennis, vaardigheden en inventiviteit’ van de chirurgijns. Hij raadde een kennis in Engeland voor diens pupil die arts wilde worden een opleiding tot chirurgijn in Amsterdam aan.32

Uit het onderwijs dat Nicolaas Bidloo zelf in Rusland gaf, blijkt een grote praktische kennis van de chirurgie. In zijn leerboek maakte hij nergens gewag van het bestaan van twee soorten medici, artsen en chirurgijns. Als hij niet in de leer is geweest bij een chirurgijn, studeerde Nicolaas waarschijnlijk aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. Wie daar studeerde, mocht in die tijd met speciale toestemming van het stadsbestuur de lessen anatomie van professor Frederik Ruysch, bestemd voor chirurgijnsleerlingen, bijwonen.33 Ruysch gaf empirisch onderwijs, hij eiste van zijn toehoorders dat zij niets geloofden dan wat ze met hun eigen ogen konden zien. Hij hechtte niet aan het ontlenen van autoriteit aan eruditie. Dat Nicolaas de lessen van Ruysch volgde, is waarschijnlijk. Wat in elk geval vaststaat, is dat Nicolaas doctor Pieter Bernagie, professor in de geneeskunde aan het Athenaeum Illustre, als zijn leermeester beschouwde. Bernagie had zelf ook de chirurgijn-route afgelegd. Hij was in de leer geweest bij chirurgijn Abel Horst en had zich bij het Athenaeum Illustre voorbereid op zijn promotie tot doctor in de medicijnen aan de universiteit van Harderwijk. Hij kende zijn medische klassieken, maar anders dan veel collega-artsen stond hij open voor nieuwe wetenschap. 34 Hij nam deel aan de bijeenkomsten van een Amsterdams onderzoeksgezelschap waar de modernere, proefondervindelijke geneeskunde werd besproken en waar ook John Locke en de Amsterdamse medicus Pieter Guenellon 35 kwamen. Bernagie had tussen 1684 en 1686 enkele toneelstukken geschreven die met succes waren opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg, waar hij daarna nog een tijdje directeur van was. Sinds 1692 was hij hoogleraar geneeskunde aan het Athenaeum Illustre. Net als zijn voorganger Gerard Blaes (Blasius) onderwees hij praktische geneeskunde. Hij gaf les aan het bed van patiënten in het gasthuis om ‘aen de studenten inder daet doen sien het gene in de lessen alleen met woorden kan geleert worden’.36 Zo bezocht Bernagie elke dag met zijn leerlingen het gasthuis en stond aan het bed van zes vrouwelijke en zes mannelijke patienten ‘om hen een idee te geven hoe geneeskunde in de praktijk werd uitgeoefend’.37 Dat was in 1693 zo nieuw, dat Guenellon erover aan Locke schreef.38 In Amsterdam kon je onderwijs in de geneeskunst krijgen, maar je kon er niet tot arts promoveren. Om doctor medicinae te worden moest je staan ingeschreven aan een universiteit. Bidloo koos ervoor, zoals ook andere studenten wel deden, om vóór zijn promotie in het openbaar te disputeren. In 1695 liet hij een disputatie drukken waarin hij zijn standpunten uiteenzette over de positie van de anatomische fysiologie en die hij vervolgens in Leiden voor een publiek van belangstellende hoogleraren en studenten verdedigde, onder voorzitterschap van zijn oom Govert, die daar sinds 1692 hoogleraar geneeskunde was.39 Nicolaas schreef zich in als student in Leiden op 18 september 1696, hij noteerde achter zijn naam: 25 jaar oud. 40 Drie maanden later, op 15 december 1696 om tien uur, hield hij het tweede deel van zijn disputatie. In zijn korte inleiding verklaarde Nicolaas zich vóór de nieuwe (empirische) wetenschap en tegen de dogma’s van de Ouden en tegen bijgeloof. Weer een maand later, op 17 januari 1697, promoveerde hij in Leiden onder het rectoraat van zijn oom op een proefschrift over de menstruatie.41

Over dat onderwerp had ook het onderzoeksgezelschap van Bernagie zich een keer gebogen.42 Bidloo neemt stelling tegen de opvattingen over menstruatie van auteurs uit de klassieke Oudheid: ‘de Ouden kenden er occulte krachten aan toe. Ik ontken dat’. Een andere stelling betrekt hij tegen hen die ‘de eerste oorzaak van menstruatie toeschrijven aan de goddelijke voorzienigheid’: volgens hem heeft het een ‘een mechanische oorzaak’.43 Nicolaas droeg zijn proefschrift op aan zijn vader Lambert, zijn oom Govert en zijn leermeester Pieter Bernagie. Nu kon Nicolaas een baan zoeken. Hij ging in Amsterdam aan het werk als arts.44 Toen twee jaar later, in 1699, Bernagie stierf, had het Athenaeum Illustre besloten te bezuinigen. Daarom werd er geen opvolger benoemd, wat het carrièreperspectief voor Bidloo in Amsterdam verkleinde.45

De naam Bidloo is in die tijd veel in opspraak. Nicolaas’ vrijwel even oude neef Govert junior, die een jaar vóór Nicolaas was gepromoveerd,46 was benoemd in het lucratieve ambt van fiscaal bij de Hoge Krijgsraad. Omdat Goverts vader, Govert Bidloo, in die tijd juist benoemd was tot lijfarts van stadhouder-koning Willem III, dacht men: dat kan geen toeval zijn. Iemand greep naar de pen en schreef er een kritisch rijmpje over:

Nu gaat het spreekwoord vast; ’t geluk is voor de gecken

Want die voor korten tijd met scheermes en met becken,

Sijn kost te winnen plag, maakt nu, door vlijers taal,

Sijn nieuw gekapte soon tot Neerlands krijgs-fiscaal.47

In 1701 schreef Nicolaas’ vader opnieuw pamfletten tegen de Lamisten, en oom Govert, de nieuw benoemde lijfarts van Willem III, vertrok naar Groot-Brittannië. Over diens afwezigheid waren ze in Leiden niet erg te spreken. In dat jaar ook trouwde Nicolaas op 20 november 48 met Clasina Cloes, dochter van Dirk Cloes, een luthers chirurgijn, die bekend stond om zijn gedurfde en vakkundige operaties.49 Katharyne Lescailje noemde Nicolaas in haar huwelijksvers iemand ‘die nutte kunsten met geleerdheid weet te paren, ’t penseel en snaarenspel aan zyne poëzy’.50

Toen hij in februari 1702 werd uitgenodigd om in Den Haag naar de post van lijfarts van tsaar Peter te solliciteren, greep hij deze kans met beide handen aan.

Een baan in Rusland

Tsaar Peter, op zoek naar een goede lijfarts, had zijn gezant in de Republiek daar de markt laten verkennen. Zo kon Andrej Matvejev op 30 januari 1702 aan het hoofd van de gezantenkanselarij in Moskou rapporteren, dat hij twee geschikte kandidaten gevonden had. Hij liet navragen bij ‘de professor der Amsterdamsche Academie, den heer Ruysch, die hier voordurend gedachtig is aan de genade van den Souverein’,51 wie van hen ‘de voortreffelijkste in zijn vak is’, en ‘bij den Heer Witsen aangaande hun gedrag en familie’. Matvejev kende beide heren goed. Toen hij in 1699 als eerste permanente vertegenwoordiger die Rusland naar het buitenland zond in Den Haag een huis wilde huren, had de Amsterdamse burgemeester Nicolaas Witsen zich garant moeten stellen, ‘want zonder borgstelling zoude niemand het hem hebben toevertrouwd’ zoals hij toen aan tsaar Peter had geschreven. Frederik Ruysch had hij op 5 juni 1700 in Amsterdam bezocht. Hij had er diens verzameling anatomische preparaten bekeken en in Ruysch’ album amicorum (op pagina 33) in het Latijn zijn bevindingen genoteerd. Ruysch en Witsen, op hun oordeel kon je afgaan, die waren te vertrouwen.52

Op 6 februari 1702 had Matvejev zijn keuze gemaakt: Ik heb hier reeds een dokter gevonden die Nicolaas Bidloo heet, een Amsterdammer, en hij heeft voortreffelijke getuigenis voor zijn [genees]kunst en is zeer ervaren in de oogheelkunde, maar hij is nog niet bij mij in Den Haag geweest. Een week later – Bidloo was in Den Haag geweest – heeft Matvejev hem een ‘zeer ervaren man’ bevonden. ‘Eene mindere som dan 2.700 gulden kon ik niet vaststellen en hij zoude zes jaar te Moskou, dienen en met zijne gehele familie naar Moskou gaan, maar na die 6 jaar vrij zijn’. Matvejev is bezig tien man in te huren, ‘sluizenmakers, metselaars en timmerlieden, allen benoodigd voor het bouwen van sluizen’, en dat kostte hem moeite. De mensen hadden, zo legde hij uit, van landgenoten, die eerder in Moskou hadden gewerkt, gehoord dat het heel moeilijk was om na afloop van het contract toestemming te krijgen om naar het vaderland terug te keren. Ze hadden precies willen weten welk werk ze moesten uitvoeren en waar, en hoe lang het zou duren. En aan de doorgraving van de Wolga en de Don wilden ze niet meewerken. Maar, schrijft hij, ‘ik heb hen volkomen tevreden gesteld’. Rond 22 mei 1702 vertrokken ze op de eerste zomerschepen uit Amsterdam naar Archangel en Moskou en, zo kon Matvejev melden, ‘eveneens doctor Nicolaas Bidloo en zijne familie’.53

Nicolaas Bidloo beschrijft zijn aankomst in Moskou

Vanuit Rusland schreef Nicolaas naar Amsterdam aan zijn vader Lambert, de apotheker, en schoonvader Dirk Cloes, de chirurgijn:

‘Vaders, Ik ben (God lof) door mijn jaren van discretie en ued. zorgvuldige opvoeding en raad zo ver gecomen dat ik weet hoe noodzakelijk, natuurlijk en redelijk het is, zijne ouders te eeren en ’t behagen’.

En om hen te behagen stuurde Nicolaas zijn 22 foliopagina’s tellende verslag van zijn reis naar Waronitz ofwel Voronezj op.54 Daarin beschrijft hij zijn aankomst in Moskou en zijn indrukken van zijn eerste reis in het gevolg van tsaar Peter.

Nicolaas reisde met zijn familie van Archangel per slee met al hun bagage naar Moskou. Daar werden ze hartelijk ontvangen door de andere buitenlanders en door de tsaar, zo noteerde Bidloo in zijn reisverslag. Ze konden terecht in de Buitenlandersvoorstad,55

op het wel gebouwd Hof van Hr Adolph Houtman, waer ik uijtermaten minnelijk ontvangen werd […]. We zetten ons met onse verlepte veeren, aenstonds (also het middag was) ter taefel, men wees ons onse camers, die heel fraaij waeren, nevens een cantoortje, waarlijk comoditijt genoeg, om in te blyven woonen’.

Dat leek Bidloo wel wat. Ze

‘pakten alle pakken en kisten dadelijk uit: dat wij nog dien eygen avond in de ledicanten connen slaepen, stoelen had om op ’t zitten, potten en pannen spiegels en zovoorts’.

Hem viel een opvallend hartelijke begroeting door de tsaar ten deel:

‘Des anderen daeghs nae ’t Hof gereden en my aldaer vertoond daar ik van het gantsschen Hof en van zijn Maj. zelve zo Minnelijk en in zulke wegen ontfangen wierd als ik Ued weleer bij brieven bekent maekte’.

Toen hij acht dagen later opnieuw bij de tsaar moest verschijnen liet hij openlijk blijken dat het hem rauw op het lijf viel om te horen dat hij zijn onderkomen bij Houtman weer moest verlaten:

Bidloo no 14Tekening van Nicolaas Bidloo van zijn tuin, met ‘de grootste vijver van de rivier kant naar d’Eerepoort te zien’. Zo’n vijver wilde Peter de Grote ook. (Universiteitsbibliotheek Leiden,Bijzondere Collecties, sign. BPL 2727, nr. 14).

‘Ik doleerde geweldig […] dat ik pas een weynig mijn aessem na zoo veele fatiguens begon te haelen! Waarop zijn Majesteit antwoordde: ‘Nu weest te vreden, comt morgen hier bij d’Admiraal (daar wij die avond seer pompeus getracteerd werden). Hij zal voor Uw een hof bezorgen’.

Dit Hof lag ook in de Buitenlandersvoorstad en was van hout, maar was

‘wat nieuwerwetzer, wat luchtiger, playsiriger en wat minder met wandluysen en vloijen […], daar van andersints deze huysen […] overvloedig voorzien zijn […]. Daer ([…] er geen tegenspreken viel, en het huys reeds daer was) ging het weder met alle man op een losslaen, en oppacke van alles’.

Ze huurden personeel, kochten twee paardjes van de arts Jan Hovy, juffrouw Houtman zorgde voor het hooi.

‘Ik ontving met mijn familje alle daegen van zeer veel hupsche en wellevende menschen bezoek […]. Ondertusschen […] geliefde het ons Heer al onze dienstboden, geen een uytgesonderd, ziek te laeten werden, ja de meesten zeer kranck, zo dat ik altijd d’Eer van practyk in mijn eygen gasthuys had. Zommige liepen weg om dat wij niet met haar spreken konden, anderen beliefden meer te neemen als haer toequam, dat men in mijn land steelen heet, maer hier een gewoonte. Zij zijn dat zo gewend, en by aldien dat je daer te strack in wild zijn, zo zul je niemand kunnen houden; zie daer mijn antwoord’.

Onverwacht kreeg Bidloo opdracht met de tsaar te vertrekken. Hij had daarover openlijk zijn ongenoegen laten blijken, was daarbij door aanwezige collega’s terecht gewezen en zag nu in dat je het ook van een andere kant kon bekijken:

‘Het was maek je gereed, en dat viel niet tegen te zeggen, en ’t zouwe belachelijk geweest zijn, hebbende zo grooten Eer, waerna zoo velen snakten, de minnelijke gunst van zo een Vorst te wederstreven’.

Toch had Bidloo zijn

‘huys en zaecken liever eerst wat verder in stand te willen gehad, en de tael en costumen wat meer gekend hebben. ’T geen mijn vrouwtje geen kleyn pleysier en gemak, en mijn beurs groot profyt zoude geweest hebben’, want ‘boodschappen doen zonder de taal te kennen leidde tot geen kleijne schaede van onse beurs’. De tijding kreeg ik in ’t midden van Januari en had omtrent een week of anderhalf om mij te praepareren. Zoodra ’k mijn vrouwtje zeijde ontstelde zy zig wel wat, maar werd door haar redelijk humeur als door den troost dat het een gemackelijke en maer een speelreysje was, dat cort zoude duuren getroost. Ons volkje ging aen’t backken, naeijen en ’t bezorgen van mijn benodigdheden. […]. Ondertusschen liet ik niet naa even wel dagelyx zieken en gewonden de visite te geven en die ’t ontfangen […] tot dat ik op een zondag namiddag, na te samen den 31 Januari anno 1703 smackelyk en playzierig met mijn vrouwtje en onze lieve Catotje [waarschijnlijk haar zuster] gegeten te hebben, aldus met mijn Talmuds [tolk] en jongen [knecht], nevens een kisjen medicamenten, vertrok […]. Zijn Majesteit belaste mij vooruit te gaan en volgde des nagts. d’Heeren Stijls Kintsius en Nota Bene onzen Reyziger [Cornelis] de Bruyn […] en veele anderen waeren reeds voor uyt […]. Die middag quamen verscheydene apothekers, doctore en chirurgyns, nevens vele anderen […] mij geluk op mijn reys wenschen’.

Op deze reis liet de tsaar Bidloo zijn vloot zien, en het sluizencomplex dat een doorvaart van de Wolga naar de Don mogelijk moest maken. Ze trokken dagelijks met elkaar op en konden wel met elkaar opschieten. Peter, lijkt wel, is een gezagsdrager met wie Bidloo grappen kan maken. Onderweg, reizend per slee, doorrijdend in de nacht, merkte Bidloo een merkwaardige  oogafwijking op:

‘Het is mij verscheydene maelen gebeurd, dat ik Kerels op mijn slede of wagens had die zodra als de zon onder was, niets, en als hij scheen, zeer snel zien konden. Men vond hier zeer veel van dat volk, die by avond niet zien konden, zowel Jongen als oude mensen. ’K heb gezien dat als de boeren in ’t leger, of aen de scheepsbouw met haer allen van ’t werck gecomen, datter altemits 20 of 30 personen door een kaerel die voorging en zien kon, als blinden […] des avonds na huys geleyd wierden’.

Bidloo bekeek de sluizen die de Moskva rivier en de Oka verbonden.

‘Dit is waerlijk een schoon werk, zoo goed, en net als men ’t in Holland maeken kan, spaerende zijn Maj[esteit] geen costen daeraen’.

Hij heeft oog voor tuinen en bekijkt ze kritisch.

‘Des avonds quaemen wij aent landgoed van Lefort menende, daer niet alleen een schoon steenen huys, maar ook bogaerden met fraeyen plantagien en partaires te vinden, gelyk het zo een generael paste. […] Dat huys van de heer Lefort zeyd men was weleer van hout geweest en voorleden jaar afgebrand. Dit weder opgebouwde huys stond zonder boomen thuijn of plantagie […] onnosel en morsig neder gebouwd’.

Opnieuw komt hij nachtblinden tegen. Was hij indertijd aangenomen omdat hij veel van oogziekten afwist? Dit specialisme van hem was indertijd door gezant Matvejev uitdrukkelijk genoemd. Bidloo deed navraag bij mensen die aan deze aandoening leden:

‘Zij worden met dit ongemack gebooren, sterven daermede en zijn in den ouderdom geen meer blind als ordinairen’. ‘Dat ymand met zodaenig een letsel gebooren, niet zien kan, maar datter zelfs nog vuur nog kaers toe helpt, is klugtig’, meende hij.

Onderweg maakte Bidloo tekeningen, die echter in het afschrift van zijn reisverslag ontbreken. De negentiende-eeuwse kopiist heeft in Bidloos relaas ruimte daarvoor opengelaten en alleen de bijschriften gekopieerd, zoals: ‘mijn camertje waerin ik 6 weken campeerde. Dan las, dan schreef, dan tekende ik’. Meteen al op zijn eerste reis ontdekte de tsaar dat zijn lijfarts problemen had met zijn eigen gezondheid. Bidloo vertelt:

[ik werd ] ‘met mijn oude inflamatie in de Keel en swaere pijn in de lenden mede wat ziek, had een dag of 3 de koorts. Zijn Majesteit, mij bij zig ontboden hebbende, zag mij wat bleek, weshalve hij lachende vroeg: Wat scheeld je Docter? Als ik antwoord dat ik ziek was, zo zeyde hij: Een Dokter ziek! Ik repliceerde: Daerom dorst ik ’t nauwlijks zeggen en uijt schaemte hier komen, als ik sterven zal, zo zal ik alleen lopen [in de stoet] na mijn dood, want in presentie van iemand zoude ik ’t mij schaemen. Hier dan begon hij geweldig, te lachen, onthield, en repliceerde zo dit, als andere zeggingen, die ik vrijmoediglijk, wanneer ik hem in humeur vond, hadde geuijt’.

Op 8 maart 1703 keerde Bidloo terug bij zijn geliefde Claesje en haar zuster Catootje in Moskou.

Gunsten van de tsaar

Deze eerste reis noemde Bidloo een plezierreis maar voor de periode hierna zou je, door de verplaatsingen van de tsaar na te zoeken, Bidloo’s ontberingen, kunnen reconstrueren. We hebben helemaal aan het begin gezien hoe Bidloo zijn gezondheid aangreep om ontslag te vragen, nog voordat hij zijn contract had uitgediend. Van contractbreuk kon echter geen sprake zijn en de oplossing daarvoor die de tsaar of Bidloo zelf aandroeg, het oprichten van een ziekenhuis en medische school, beviel Bidloo. Na afloop van zijn contract in 1708 besloot hij te blijven. Toen hij in januari 1710 zijn leerboek in het net had geschreven en zijn ziekenhuis functioneerde, was er kennelijk tijd om te ontspannen en eens om zich heen te kijken.

Bidloo’s oog viel op een stuk land in de buurt van het huis van Lefort aan de rivier de Jaoeza, een stuk ‘caal land daar nog loof nog gras wies’ en hij vroeg de tsaar of híj dat in gebruik mocht nemen. Op 8 maart 1710 schreef hij hem een brief:

‘Hoogmogende tsaar, Welzeeredele Heer. Ik werkte voor jou, Majesteit, in de medicijnen met al mijn oprechtheid, maar een buitenhuis heb ik niet, naast het hospitaalgebouw bij de Semjonov voorstad ligt leeg land, niemand ter bebouwing gegeven. Al-Welzeeredele heer, ik vraag je mij het land te geven tot buitenplaats […] voor toekomstig bezi’t.56

Peter, die toen in Voronezj was, stuurde een oekaze naar de Kloosterkanselarij tot toewijzing ‘aan de dokter, zijn vrouw, en kinderen van het gevraagde stuk land’ en toestemming ‘er elk gebouw, wat hem zint te bouwen’. 57 Dat was dus gelukt, hij kreeg het land, mocht erop bouwen en zijn vrouw en zijn kinderen mochten het erven!58 Hij legde er een tuin aan met een zomerhuis.59 ’s Winters woonde hij, na de eerste jaren een huis gehuurd te hebben, in een eigen huis in de Grote Straat in de Buitenlandervoorstad.60 ’s Zomers boden de prachtige tuin en het zomerhuis vermaak en plezier aan gasten, onder wie vaak ook Peter I ‘zowel als ik thuis was als wanneer ik er niet was’, memoreerde Bidloo in de begeleidende tekst bij zijn tekeningen.61

Nicolaas Bidloo ontwerpt een tuin voor tsaar Peter I

Bidloo werd voor de tsaar ook een raadgever in tuinarchitectuur. In 1722 vroeg Peter hem om advies voor zijn plannen met het landhuis van de in 1706 overleden staatsman Fjodor Aleksejevitsj Golovin. Zijn eigenhandig geschreven briefje van december 1723 illustreert weer eens dat Peter gewoon was zich overal tot in de details mee te bemoeien:

‘In de grote vijver op de twee eilanden en op het achthoekige eiland moet je lusthuizen bouwen en hokken voor duiven en kleine vogels, bij het bos. en andere verfraaiingen geschikt voor in een tuin. En over de gracht bruggen, kleine boogbruggen, met leuningen aan een kant met net precies ruimte voor een persoon om te passeren (net zoals in Holland); stuur ook een tekening of plattegrond van beide residenties in de tuin’.62

Bidloo tekende het gevraagde ontwerp en leverde het bij de tsaar in.63 In deze periode verbleef Peter vooral in zijn nieuwe hoofdstad Sint-Petersburg, maar altijd als hij in Moskou was kon Bidloo een bezoek van hem verwachten. Kamerjonker Friedrich Wilhelm von Bergholz 64 hield een dagboek bij en noteerde hoe de tsaar met zijn hele gevolg op 6 januari 1723 om tien uur ’s avonds bij Bidloo kwam aanzetten en tot twee uur bleef. De andere buitenlanders die een bezoek van de tsaar en zijn gevolg aangezegd hadden gekregen, zoals Tamsen 65, Konau,66 en nog twee anderen wachtten vergeefs en bleven zitten met het eten, toebereid voor drie à vierhonderd personen.67

Eind april 1724 waren de tsaar, zijn vrouw Catharina en hun dochters opnieuw in Moskou, nu voor de kroning tot keizerin van Catharina. De eerste mei werd door de Duitse kooplieden in de Buitenlandersvoorstad altijd gevierd met een uitstapje naar het ‘bos van Semjonov’. Dat jaar regende het zachtjes en in de middag was er zelfs een onweer, maar bijna alle kooplieden waren met vrouwen en kinderen aanwezig op de traditionele plek. Ook de tsaar en zijn gezin kwamen, Catharina en de prinsessen per koets. Zij bleven in hun wagens zitten, want het motregende nog steeds. Wat later kwam de tsaar aanroeien in zijn wherry. Eerst ging hij naar vrouw en kinderen en vervolgens naar dokter Bidloo en de kooplieden. Catharina wilde eigenlijk naar huis, maar de tsaar had het naar zijn zin en had aangekondigd dat hij tot negen uur wilde blijven. Bidloo en zijn vrouw en kinderen brachten eerst Catharina koffie en confituren en gingen daarna ook bij de prinsessen langs.68 De bezoeken van Peter aan Bidloo, de ontmoeting op 1 mei – dit alles getuigt van een vriendschappelijke relatie tussen deze mannen. Bidloo bleef bij Peter in de gunst tot het eind. In september 1724, enkele maanden voor Peters dood, was Bidloo één van de artsen die hem in Petersburg opereerden voor zijn blaasproblemen.

Triomfpoorten en toneelspelers

Tot voor kort werd je in het Zoölogisch Museum van Sint-Petersburg, op de trap, begroet door de oudste dieren van de stad: de meterslange slang van de Amsterdamse apotheker Albert Seba, in Petersburg gearriveerd in 1716,69 en een paard en een hond die nog hadden toebehoord aan Peter de Grote. Ik kijk nu met andere ogen naar Peters wat mottige lievelingsteefje, nu ik weet dat de tsaar haar op 17 augustus 1708 had opgestuurd aan Bidloo met het verzoek haar op te zetten, ‘droog gebalsemd, zodat het niet bederft en niet stinkt, zoals dr Dunel in meer detail schrijft. Ik smeek u doet uw uiterste best’. Op 27 augustus al kon Bidloo de tsaar schrijven ‘Nu, heer, ze lijkt als levend, met veel moeite en zorg […] en zij kan nu lange tijd bewaard blijven’.70

Voor de tsaar ontwierp Bidloo ook erepoorten. Zijn ontwerpen zijn niet gepubliceerd, anders had ik ze kunnen vergelijken met de erepoorten die zijn oom Govert samen met de etser Romeyn de Hooghe in 1691 had ontworpen ter gelegenheid van de feestelijke intocht van stadhouder-koning Willem III in Den Haag. Govert Bidloo en Romeyn de Hooghe publiceerden hun ontwerpen met uitleg en vertaling van de Latijnse spreuken en met een toelichting op de Romeinse figuren en historische taferelen. Er kwamen twee uitgaven. Voor de uitgave waarin ook penningen van Willem III waren opgenomen maakte ook De Hooghes leerling Adriaan Schoonebeek een aantal prenten. Diezelfde Schoonebeek ging, zoals we zagen, later in Rusland werken.71

Toen tsaar Peter, na zijn overwinning op de Zweden bij Poltava in 1709, in januari 1710 feestelijk in Moskou werd ontvangen, stonden er op de route verscheidene erepoorten, bekostigd door kooplieden. Dat was voor Rusland een geheel nieuwe manier van binnenhalen van een tsaar-overwinnaar en zijn krijgsgevangenen. Had Bidloo de erepoorten ontworpen? Hij schetste wel tien bladen met ontwerpen en schreef het bijbehorend commentaar. Just Juel, de Deense gezant, beschreef de samenstelling van de stoet bij de intocht en de erepoorten. Zijn gedetailleerde beschrijving doet sterk denken aan de Haagse erepoorten van 1691. Ook de Moskouse poorten waren met allegorieën en ‘mooie emblemata beschilderd’, met adelaars, leeuwen en een ‘Hercules met leeuwenhuid, in één woord’, aldus Juel, ‘Pictores atque poetae’, plaatjes met uitleg. Hij rekende erop ‘dat prenten van de erepoorten eerdaags in druk zouden verschijnen’.72 Juel, die goed geïnformeerd was, noemt Bidloo niet als de maker. Bidloo ontwierp zijn erepoorten in dezelfde tijd als waarin hij de laatste hand legde aan zijn Instructio, de eerste week van januari 1710. Was erepoorten tekenen voor hem vermaak, opdracht of vleierij?

Uit het dagboek van Bergholz weten we dat in het ziekenhuis van Bidloo een ruimte was waar leerlingen van zijn school toneelstukken opvoerden. Op 4 januari 1723 gaf Bergholz een weinig vleiende recensie van zo’n toneeluitvoering: De uitvoering was op een nare plek, waar je  in Duitsland een marionettentheater zou aantreffen De komedie werd door louter jonge mensen gespeeld, die chirurgie en anatomie van dokter Bidloo op het hospitaal leerden, en waarschijnlijk nooit een echte komedie gezien hadden. Ze speelden de geschiedenis van koning Alexander en koning Darius, die ze in 18 akten verdeeld hadden, de eerste dag 9 en de de volgende dag weer 9 en tussen elke acte voerden ze een vrolijk entr’acte op. Deze entr’actes waren slecht, en eindigden in gestoei. De komedie zelf werd zo slecht mogelijk voorgedragen. Kortom alles was slecht. Zijne hoogheid [hertog von Holstein Gottorp], gaf de jongelui 20 roebel, en de tsaar zou hen onlangs 30 gegeven hebben.73

De uitgever van de Instructio, N.A. Oborin, meent dat niet Bidloo, maar een van zijn leerlingen, F. Zjoeravski, talent voor toneel had: van hem zijn twee stukken bekend, van Bidloo geen een. Dat Nicolaas’ oom Govert toneelstukken schreef vindt hij geen argument voor betrokkenheid van Bidloo bij de opvoeringen. Noemt Bidloo in zijn Schetz niet een hele reeks interesses? Het theater noemt hij niet! Daar heeft Oborin een punt. Hij concludeert dat Bidloo niet zelf bijdroeg, maar zijn leerlingen gelegenheid gaf theaterstukken op te voeren. Toneelstukken opvoeren hoorde erbij voor leerlingen aan een Latijnse school, dat was zo in Amsterdam, en kennelijk ook in Moskou. Bidloo was wel zo betrokken dat hij de fraai uitgedoste toneelspelers afbeeldde en bewaarde bij de tekeningen van zijn tuin.74

Laatste jaren

Waarschijnlijk ergens tussen 1725 en 1735 – in de inleiding spreekt Bidloo over Peter in de verleden tijd – tekende Bidloo zijn tuin. Hij tekende in de jaren van politieke onzekerheid die volgden op de dood van de tsaar in januari 1725. Peters vroegere rechterhand, Alexander Mensjikov, werd in 1727 gearresteerd en met zijn hele gezin verbannen. Een jaar later stierf Mensjikov in Berezov (Siberië). Ook al tijdens Peters heerschappij had Bidloo gezien hoe hem bekende overheidsdienaren in ongenade vielen, verbannen of terechtgesteld werden. De nieuw opgerichte Academie van Wetenschappen in Petersburg had ervan geprofiteerd: ze kon de geconfisqueerde grote stenen huizen betrekken. De Kunstkamera bijvoorbeeld werd ondergebracht in het huis van de in 1718 terechtgestelde edelman Aleksandr Kikin en de geleerden en hun boeken trokken in het huis van de verbannen baron Peter Sjafirov (1669-1739).75 Deze laatste mocht trouwens, toen de wind weer uit een andere hoek woei, terugkeren uit zijn verbanning.

Na de dood van tsarina Catharina in 1727 verhuisde het hof van haar opvolger Peter II (1715-1730), kleinzoon van Peter I, naar Moskou. Dat bracht daar de nodige veranderingen met zich mee. De Academie van Wetenschappen, waar buitenlanders doceerden, bleef gevestigd in Petersburg onder de hoede van Johann Daniel Schumacher (1690-1761).76 Die moest de professoren uitleggen dat de veranderde waardering van de wetenschappen een beperking van de financiële middelen tot gevolg had. Het mag nog een wonder heten dat de Academie na de dood van Peter I en Catharina I is blijven bestaan. De tientallen studenten die elders in Europa studeerden kregen het consigne terug te keren. In het buitenland studeren werd niet verder gestimuleerd. Hoezeer het intellectuele klimaat in 1729 was veranderd, is ‘bezongen’ door Antioch Kantemir (1709-1744), dichter en toen de meest ontwikkelde man van Rusland. In een satire, die hij anoniem in handschrift liet circuleren, laat hij lieden uit alle rangen en standen het nut van wetenschap ontkennen:

[…] De wetenschap is

uit bijna alle huizen met gevloek gesmeten;

de mensen willen van haar niets meer weten.

Voor haar vriendschap slaan ze op de vlucht

zoals een zeezieke de zeedienst ducht.

Ze roepen uit één mond: Geen vrucht levert wetenschap op!

dan slechts geleerden met een volle kop.77

Bidloo had Peter gediend, die dertig jaar lang alleenheerser was geweest. Na de dood van Peter diende hij van 1725 tot 1727 Catharina I, in 1727-1730 Peter II, en ten slotte Anna die in 1730 aantrad. Hoe slaagde Bidloo erin aan te blijven in zijn ziekenhuis tijdens deze machtswisselingen van vorsten en elites, die gepaard gingen met een telkens wisselende appreciatie van buitenlanders? In zijn Schetz bij de tekeningen tot een aandenken voor mijn kinderen en familie schemert alleen in de laatste alinea iets door van de tijd waarin Nicolaas Bidloo zijn tuin tekende. Hij lijkt zich voor te bereiden op het ergste maar heeft zijn angst afgelegd. Hij spreekt zijn kinderen toe en vertelt hoe God het eerste mensenpaar in de lusthof Eden zette, die

Hij voor hen had aangelegd voor hun voedselvoorziening en vermaak. Het kan zijn dat ze wegens hun ‘verbreken’ (misdaden, vergrijpen) uit deze lusthof verjaagd zijn, maar anders was dat ook wel gebeurd. Voor hun grote menigte nakomelingen zou het, ook zonder dwang, nodig zijn geweest op eigen initiatief uit de lusthof weg te gaan en zich over de wereld te verspreiden. Iedereen kan zijn eigen lusthof zoeken, die hij overal makkelijk vinden kan omdat de wereld niet dan een lustprieel is voor wie er met verstand naar kijkt. Naast dit lustprieel, de wereld, gaf God de mens een nog groter gave: het verstand, opdat hij alles goed zou beseffen en zichzelf ten nutte en plezier maken: Mijn bestaan en eer zocht ik door de oefening der Medicijnen, waarbij ik verscheidene oefeningen en wetenschappen tot mijn vermaak en ontspanning had, als schilderen, tekenen, muziek, mathematica en geometrie; architectuur en enige speculatieve filosofische zaken, maar geen van die alle hebben mij van jongs af aan zo na aan het hart gelegen en geïnteresseerd en genoegen geschonken als het landleven.

Dan eindigt hij zijn Schetz vrij somber. Hij had zich altijd gerealiseerd dat wat hij tot stand gebracht had, zijn huis en tuin, hem ook weer kon worden afgenomen. Hij had altijd geweten dat zijn tuin ‘geen vast goed was […] en dat de gevallen [gebeurtenissen]’ hem die ‘weder ontroven konden’. Daarom heeft hij die eigenhandig getekend, zodat, als het zo ver mocht komen, hij zich met de tekening en de herinnering zou kunnen vermaken. Anderen zouden in zo’n geval misschien bedroefd zijn, maar dat zal hem niet overkomen. Mocht hij zijn tuin behouden en hier zijn dagen eindigen, dan hebben zijn kinderen ten minste zijn ‘handenwerk’, zijn tekeningen. In het geval zij de tuin niet zouden willen aanhouden of als het hen niet lukte de tuin in bezit te krijgen, raadde hij hen: ‘Wandelt in deze tekeningen en gij kunt zien wat eenvoudig vermaak uw vader kon verquikken’. Niet het onberekenbare, onrechtvaardige Rusland maakte een eind aan zijn tuin en zijn leven. Nicolaas Bidloo overleed op 3 april 1735 thuis, in Moskou. Een doodsoorzaak is niet bekend. Zijn in Leiden studerende zoon Johannes78 was enkele weken eerder, op 1 maart 1735 in Amsterdam begraven. Nicolaas Bidloo heeft zijn roem in Nederland als tekenaar verdiend. Maar men zou hem in Nederland ook moeten gedenken als de man die de westerse medische aanpak blijvend in Rusland geïmplementeerd heeft.79

Noten

1 D. Willemse, The unknown drawings of Nicholas Bidloo, director of the first hospital in Russia (Voorburg 1975). Voor zijn inleiding deed Willemse diepgravend bronnenonderzoek; in zijn boek zijn Bidloos tekeningen en toelichtende tekst op werkelijke grootte gereproduceerd. De tekeningen werden door verre Amerikaanse nazaten in 1966 geschonken aan de Universiteitsbibliotheek van Leiden (sign. bpi 2727 1-21).

2 Jozien J. Driessen, Russen en Nederlanders. Uit de geschiedenis van de betrekkingen tussen Nederland en Rusland 1600-1917. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum/Poesjkinmuseum, Moskou (’s-Gravenhage 1989).

3 Reinhard Wittram, Peter I. Czar und Kaiser, dl. ii (Göttingen 1964), p. 207.

4 Voor Bidloo als tuinontwerper: Erik de Jong, ‘Virgilian Paradise: a Dutch garden near Moscow in the early 18th century’, in: Journal of Garden History 1 (1981), nr. 4, p. 305-344.

5 Nicolaas Bidloo, Togt van Moscow naar Waaronitz. Januari 31 Anno 1703, hs. in Nationaal Archief, toegang 2.21.043, inv. nr. 161 (Dagboek Nicolaas Bidloo).

6 Nicolaas Bidloo, Nastavlenie dlja izucajušcich chirurgiju v anatomiceskom teatre, sostavleno 1710 goda, janvarja 3 dnja = Instructio de chirurgia in theatro anatomico studiosis proposita a.d. 1710, januarii die 3. Inl. en comm. N.A. Oborin (Moskou 1979).

7 Nicolaas Bidloo, Schetz bij de tekeningen tot een aandenken voor mijn kinderen en familje, hs. in ub Leiden (sign. bpl 2727 2), gepubliceerd in: Willemse, Unknown drawings, p. 50.

8 Bidloo, Schetz, p. 50.

9 N.A. Oborin, ‘Bidloo i ego “Nastavlenie”’, in: Bidloo, Nastavlenie dlja izucajušcich chirurgiju, p. 374-542, aldaar p. 396.

10 Het hospitaal brandde af op 10 april 1721; zie Oborin, ‘Bidloo’, p. 450.

11 Oborin, ‘Bidloo’, p. 440.

12 Nicolaas Witsen, Moskovische reyse 1664-1665. Journael en aantekeningen. Ed. Theo Locher en Piet de Buck (’s-Gravenhage 1966), p. 126.

13 Oborin, ‘Bidloo’, p. 399.

14 Lindsey Hughes, Russia in the age of Peter the Great (Londen 1998), p. 131.

15 Cornelis de Bruyn, Reizen over Moskovië, door Persië en Indië (Amsterdam 1714), p. 452.

16 Oborin, ‘Bidloo’, p. 433.

17 Oborin, ‘Bidloo’, p. 436.

18 Oborin, ‘Bidloo’, p. 434.

19 Oborin, ‘Bidloo’, p. 434.

20 Oborin, ‘Bidloo’, p. 402.

21 Het kostte Oborin vanaf het moment dat hij het handschrift kon laten fotograferen nog tien jaar om de uitgave voor elkaar te krijgen. Oborin, ‘Bidloo’, p. 400.

20 mededelingen van de stichting jacob campo weyerman 34 (2011), 1

22 Oborin, ‘Bidloo’, p. 426.

23 Oborin, ‘Bidloo’, p. 428.

24 Renner constateerde dat de nakomelingen van deze nieuwe adel overigens zelden een medische carrière kozen, maar liever, net als de oude adel, hun landgoederen gingen beheren. Andreas Renner, ‘Progress through power? Medical practitioners in eighteenth-century Russia as an imperial elite’, in: Acta Slavica Iaponica 27 (2009), p. 29-54.

25 Renner, ‘Progress through power?’, p. 29-54.

26 Willemse, Unknown drawings, p. 32.

27 Lambert Bidloo, Verwoesting des Joodschen volks, 3 dln. (Amsterdam 1725-1727).

28 Katharyne Lescailje, De mengelpoëzy, deel 1 (Amsterdam 1731), p. 147.

29 Lescailje, Mengelpoezy, p. 126.

30 Willemse, Unknown drawings, p. 14.

31 Het door P. van Gunst (ca. 1659-na 1731) gegraveerde portret gaat vergezeld van een nietszeggend zesregelig gedicht van Lambert Bidloo, het andere portret, gegraveerd door Jacob Folkema (1692- 1767), heeft een vierregelig gedicht van Adriaan Spinneker.

32 Zie het hoofdstuk over ‘John Locke en de Amsterdamse chirurgie’ in: Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch (Amsterdam 2004), p. 190-197.

33 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 213.

34 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 182.

35 Voor Guenellon zie op www.biografischportaal.nl.

36 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 213.

37 Uit brief van Guenellon aan Locke, geciteerd bij Kooijmans.

38 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 213.

39 Nic. Bidloo, Positionum anatomico-physiologicarum, pars 1 en 2 (Leiden 1695, 1696). De ub Amsterdam bezit deel 2, maar geeft in de titelbeschrijving abusievelijk 1697. Het impressum heeft 1696. Van deel 1 is geen exemplaar bekend in Nederlandse bibliotheken; mogelijk bevindt zich er een in Rusland. Willemse kende het bestaan van deze tweedelige disputatie slechts uit de Russische literatuur.

40 Willemse, Unknown drawings, p. 25.

41 Nicolaas Bidloo, Disputatio medica inauguralis de menstruorum suppressione (Leiden 1697).

42 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 190.

43 Bidloo, Disputatio medica inauguralis de menstruorum suppressione.

44 I.H. van Eeghen, ‘Van de boekentafel’, in: Maandblad Amstelodamum 64 (1977), p. 141-142.

45 Kooijmans, Doodskunstenaar, p. 215.

46 Godefr. Bidloo, Disputatio juridica inauguralis de officio tutoris (Leiden 1696).

47 Spotdicht op Govert Bidloo (1649-1713) en op de aanstelling van diens zoon Govert (ca. 1676-?) tot fiscaal van de Hoge Krijgsraad (Koninklijke Bibliotheek, sign. 75 C 48 [Verzameling gedichten, pamfletten e.d.], fol. 85r-85v).

48 Willemse, Unknown drawings, p. 23. Ondertrouw oktober 1701 op de leeftijd van 27 jaar. Stadsarchief Amsterdam, dtb, Trouwen 702, fol 348.

49 Kooijmans, Doodskunstenaar, pp. 191, 256.

50 Katharyne Lescailje, De mengelpoëzy, deel 2 (Amsterdam 1731), p. 216.

51 Matvejev vergist zich hier: Ruysch was niet verbonden aan de Amsterdamse ‘Academie’ (het Athenaeum), maar speciaal door het stadsbestuur aangesteld om de kennis van anatomie en botanie van de chirurgijnsleerlingen te verbeteren.

52 Voor de goede banden tussen Witsen en de tsaar zie Jozien Driessen, Peter de Grote en zijn Amsterdamse vrienden (Utrecht 1996) en Marion Peters, De wijze koopman. Het wereldwijde onderzoek van Nicolaes Witsen (1641-1717) (Amsterdam 2010).

mededelingen van de stichting jacob campo weyerman 34 (2011), 1 21

53 De Matvejev-citaten zijn afkomstig uit: C.C. Uhlenbeck, Verslag aangaande een onderzoek in de archieven van Rusland ten bate der Nederlandsche geschiedenis (’s-Gravenhage 1891), p. 78-81. Uhlenbeck vertaalde de geciteerde brieven uit de Russische originelen.

54 Zie boven, noot 5. Alle volgende citaten in deze paragraaf zijn afkomstig uit dit reisverslag.

55 Michail Romanov, de vader van Peter, had in 1652 alle buitenlanders verplicht bij elkaar te gaan wonen aan de rivier de Jauza, een uurtje lopen uit het centrum van Moskou, in wat de nemetskaja sloboda, de ‘buitenlandersvoorstad’ zou gaan heten.

56 A.A. Aronova, ‘Oesadba Nikolaja Bidloo, pervyj gollandskij sad v Moskve’, http://www.portal-slovo. ru/art/35822.php (datum: 3 april 2011).

57 Dit document citeert A.N. Alelekov in 1907 in zijn geschiedenis van het Moskouse Militair Hospitaal zonder te melden in welk archief hij het had gevonden, moppert Aronova in haar voetnoot no. 18.

58 Bidloo en zijn eerste vrouw, Clasina Cloes, hadden een zoon Johannes (1712/13-1735) en een dochter Maria. Van Eeghen, ‘Van de boekentafel’, p. 142. Wanneer Clasina Cloes overleed, is niet bekend. Voor Bidloos tweede huwelijk, zie noot 66.

59 Over tuinen en zomerhuizen zie Andrej Reiman, ‘Nederlandse invloeden op de tuinkunst in Sint-Petersburg’, en Erik A. de Jong, ‘“Paradisus Batavus”. Peter de Grote en de Nederlandse tuinarchitecten’, in: Renée Kistemaker e.a. (red.), Peter de Grote en Holland. Culturele en wetenschappelijke betrekkingen tussen Rusland en Nederland ten tijde van tsaar Peter de Grote. Tentoonstellingscatalogus Amsterdams Historisch Museum (Amsterdam/Bussum 1996), resp. p. 115-123 en 124-131.

60 Bidloos enige kleinzoon, de zoon van zijn dochter Maria, Nicolaas Konau (zie noot 66), erfde op een goed moment dit huis. Konau liet het verkopen op 6 okt 1762. Willemse, Unknown drawings, p. 33.

61 Willemse, Unknown drawings, p. 50.

62 Lindsay Hughes, Russia in the age of Peter the Great, Londen 1998. p. 371.

63 I.N. Lebedeva, Biblioteka Petra i. Opisanie rukopisnych knig (Sint-Petersburg 2003), p. 226.

64 Friedrich Wilhelm von Bergholz (1699-1765) was kamerjonker van hertog Karl Friedrich von Holstein Gottorp (1700-1739), die toen enige jaren in Petersburg verbleef.

65 Tamsen was de achternaam van twee Nederlandse broers, ook wel Tames gespeld, tweede generatie kooplui in Moskou. V.N. Zacharov, Zapadnojevropejskie koeptsy v Rossii. Epocha Petra i, (Moskou 1996), p. 31, 312. .

66 In januari 1723 was dokter Jurgen Konau dus nog in leven. Bidloo trouwde na de dood van Claesje met Konaus weduwe, Maria Ruts, dus in of na 1723. Volgens Van Eeghen trouwde Maria Ruts’ zoon uit haar eerste huwelijk, Pieter Konau, met Nicolaas’ dochter Maria. In 1723/24 kregen Pieter en Maria een zoon, Nicolaas Konau, die later naar Nederland is gegaan; zie ook noot 60.

67 Friedrich Wilhelm von Bergholz, ‘Tagebuch von 1723’, in: Anton Friederich Büsching, Magazin für die neue Historie und Geographie 21 (1787), pp. 182, 183.

68 Bergholz, ‘Tagebuch von 1724’, in: Anton Friederich Büsching, Magazin für die neue Historie und Geographie 22 (1788), p. 453, 454.

69 Jozien J. Driessen van het Reve, De Kunstkamera van Peter de Grote. De Hollandse inbreng, gereconstrueerd uit brieven van Albert Seba en Johann Daniel Schumacher uit de jaren 1711-1752 (Hilversum 2006), p. 290.

70 Lindsey Hughes, Russia in the age of Peter the Great, p. 374, 543 noot 169.

71 N. Chevalier, Histoire de Guillaume iii […]. Par médailles, inscriptions, arcs de triomphe, et autres monuments publics (Amsterdam 1692).

72 Zover is het niet gekomen. Bidloos tekeningen lagen klaar op het Tekenkantoor waar ze, denk ik, in prent gebracht hadden moeten worden en gedrukt. In 1728 werd dit plan kennelijk opgegeven en kwamen ze in de bibliotheek van de Kunstkamera. In de Bibliotheek van de Academie van Wetenschappen worden tien bladen in-2o bewaard met tekeningen en beschrijvingen, in het Russisch en het Latijn, van triomfbogen opgericht ter ere van de overwinning bij Poltava in 1709.  22 mededelingen van de stichting jacob campo weyerman 34 (2011), 1Lebedeva, Biblioteka Petra i., p. 246, no. 143. Zie voor de beschrijving van Just Juel: E.V.Anisimov (red.), Petr Veliki. Vospominanija, dnevnikovye zapisi. Anekdoty (Sint-Petersburg 1993), p. 96.

73 Bergholz, ‘Tagebuch von 1723’, p.182-183.

74 Universiteitsbiliotheek Leiden (sign. bpl 2727 21).

75 Over Kikin: Driessen van het Reve, De Kunstkamera, p. 167.

76 Over Schumacher: Driessen van het Reve, De Kunstkamera, o.a. p. 73-75.

77 Satire I, regels 165-170 (mijn vertaling).

78 Ik ontdekte dat Johannes op 20 december 1730 in Amsterdam verbleef en toeschouwer was bij een gevaarlijke operatie, waarbij zijn grootvader, de chirurgijn Dirk Cloes, de chirurgijn Joannis Steiger assisteerde. Drie andere chirurgijns waren er als waarnemers bij aanwezig. Johannes legde de operatie op een tekening vast: hij tekende de buik van de patiënt, Anthoni Helt, die een indrukwekkende ‘darmbreuk’ had. De operatie werd uitgevoerd ‘met volkomen behoudenis en gebruik van den bal’ en de patient was ‘ten volle geneezen’ op 8 februari 1731. De prent, Hernia intestinalis Anthoni Helt secta per Joannem Styger, auxiliante Theodoro Cloes [Amsterdam 1731], was volgens de titelbeschrijving van de ub Amsterdam getekend door A. Bidloo; op de prent staat echter: J. Bidloo, gegraveerd door A. van der Laan. – Johannes Bidloo schreef zich op 9 juli 1732 in als student medicijnen in Leiden: ‘Johannes Bidloo, Nicolai filius, Muscoviensis’, twintig jaar oud. In februari 1733 en 1734 schreef hij zich opnieuw in, maar in 1735 komt hij in het register niet voor (Willemse, Unknown drawings, p. 33). Johannes Bidloo werd op 1 maart 1735 begraven in Amsterdam in het graf van zijn grootvader Cloes in de Nieuwe Lutherse Kerk (Van Eeghen, ‘Van de boekentafel’, p. 142).

79 Renner, ‘Progress through power?’, p. 29-54.

Jozien J. Driessen van het Reve, ‘Hoe Nicolaas Bidloo (1673/4–1735) de medische cultuur van Amsterdam naar Moskou bracht’. In: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 34 (2011), 1, 5-33.••

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *