De ontdekking van de onvolmaaktheid van de schepping. Van Frederik Ruysch tot Denis Diderot

Beiden twijfelden openlijk aan het dogma van Volmaaktheid van de Schepping. Diderot werd gevangen gezet en moest verder zijn mond houden. Ruysch werd ongemoeid gelaten.
Frederik Ruysch kon zijn gang gaan, niet alleen omdat Nederland zo vrij was, maar ook omdat Ruysch een slimme manier vond om zichzelf en zijn ideeën te beschermen.

Rede uitgesproken in de Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg op een congres gewijd aan de nagedachtenis van Nikolaj Kopanev (1957-2013).

Korte inleiding over Amsterdam rond 1700

Het Amsterdams Historisch Museum vertelt het verhaal van de vorming van de stad Amsterdam tot een tolerante handelsstad. Op de plek waar het museum is gehuisvest begint al een stukje van het verhaal. Het museum in gevestigd in een oud voormalig klooster. De religieuzen moesten er uit in 1585. In dat jaar grepen in het stadsbestuur van Amsterdam de protestanten de macht. Het betekende dat de opvattingen van de kerk van Rome hadden afgedaan. Niet langer was er slechts één kerk, één uitleg en één hiërarchie. Meerdere religies moesten voortaan wennen om naast elkaar te bestaan, al kregen zij niet dadelijk ook gelijke rechten. Wie katholiek bleef, werd voortaan tweederangs burger, net als andere christenen die geen protestanten waren. Pas na het overnemen van de idealen van de Franse Revolutie: Vrijheid Gelijkheid Broederschap, kregen ook Katholieken, Joden en alle soorten christenen in De Nederlanden gelijke rechten.

Belang van de handel voor Amsterdam

Tegenover dit vroegere klooster, werd in de zeventiende eeuw een Bloemenmarkt gehouden. Daar stonden exotisch planten te koop, aangevoerd uit alle windstreken. Handel was voor Amsterdam belangrijk en de daarvoor benodigde vrijheid, gewetensvrijheid gecombineerd met rechtszekerheid: de rechtsstaat, werd dagelijks door de burgers bevochten.

Peter de Grote en Holland

Ter voorbereiding van de tentoonstelling Peter de Grote en Holland, over de wetenschappelijke en culturele betrekkingen met Holland in de tijd van Peter de Grote, presenteerden alle onderzoekers hun vooronderzoek in Amsterdam. Daar behoorde ook Nikolaj Kopanev toe, een Petersburgs boekhistoricus gespecialiseerd in de 18e eeuw.

Marc Michel Rey de Amsterdamse uitgever van Jean Jacques Rousseau

Nikolaj Kopanev nam mij in april 1994 mee naar de Bloemenmarkt. Hij liet mij het huis van de Franse uitgever Marc Michel Rey zien. Zo leer je je eigen geboortestad nog eens kennen, aan de hand van een Russische onderzoeker.
Marc Michel Rey, burger van Geneve, gaf in Amsterdam boeken uit die in Frankrijk niet gedrukt konden worden. In Nederland was de vrijheid van meningsuiting groter dan die in Frankrijk, waar één geloof, één kerk, één hiërarchie het voor het zeggen had.

Het verschil kun je aflezen aan het lot van Frederik Ruysch (1638-1731) en Denis Diderot (1713-1784).

Diderot had zijn “Brief over de Blinden” (Lettre sur les aveugles, à l’usage de ceux qui voient),expres anoniem gepubliceerd.

 “Brief over de Blinden”

Diderot laat in de Brief een blinde mathematicus betogen dat wij weliswaar niet alles kunnen verklaren en begrijpen. Maar dat dat toch nog geen voldoende reden is om dan maar aan te nemen dat er een God is. Een God die alles wél begrijpt, omdat hij alles geschapen heeft. Het invoeren van een schepper maakt de wereld niet begrijpelijker. De blinde gaat verder. Hij denkt dat het waarschijnlijker is dat blinden, net als andere misgeboorten en monstruositeiten, het resultaat zijn van toevallig op een onvolkomen manier aaneen gevoegde deeltjes. Deeltjes waaruit wij en de dieren en planten om ons heen bestaan en die de hele wereld hebben gevormd. Alleen gelukte soorten overleven. Dat alles noteerde Diderot zonder ook maar een keer de termen atomisme, materialisme en toeval te laten vallen. Of de namen van Epicurus, Democritus, Lucretius of Spinoza. Zij hadden gemeen dat zij geen van allen een rol toekenden aan Goden of een God.
Zijn auteurschap van de Lettre werd verklikt aan de autoriteiten. Op 24 juli 1749 wordt Denis Diderot thuis opgehaald door twee gendarmes. Hij werd in eenzame opsluiting gezet in de staatsgevangenis. In de Donjon van het Chateau de Vincennes. Hij wist niet hoe dit voor hem zou eindigen.

Geldschieters dreigen dat de Encyclopedie vertrekt naar een protestante stad

In die tijd had Diderot bijna het eerste deel van zijn Encyclopedie gereed voor de drukker.
Deze onderneming, het uitgeven van een alfabetische encyclopedie van alle bestaande kennis, was nu in gevaar. Het volgend jaar, in 1750, was het eerste deel van de Encyclopédie gepland om te verschijnen. Een onderneming waar niet alleen de schrijvers en literatuuronderzoekers van de trefwoorden, maar ook tekenaars en prentsnijders bij betrokken waren. Zij maakten de beroemde gedetailleerde afbeeldingen waarop de werking van duizenden handwerktuigen, machines en vernuftige constructies werden geëxpliceerd. Een onderneming waarin drie boekhandelaren aanzienlijke sommen gelds hadden geïnvesteerd. U hoort, ik las met veel genoegen Philipp Blom, A wicked company. The forgotten radicalism of the European enlightenment. New York 2010. (p. 46)
De onderneming werd gered door de boekhandelaren. Zij gingen pleiten bij de autoriteiten. Zij argumenteerden dat zij werk verschaften aan heel veel Parijzenaars en dat het zonde zou zijn als ook dit groots opgezette uitgeefproject zou moeten verhuizen naar bijvoorbeeld Amsterdam of andere protestantse steden als Genève of Berlijn. (p. 51)
Dit economische argument van de uitgevers legde gewicht in de schaal. De autoriteiten besloten Diderot na 3 maanden vrij te laten. Als hij ooit weer dergelijke atheïstische praat zou publiceren, zou hij voor altijd worden opgesloten. In zijn encyclopedie die in heel Europa een groot succes was, presenteerde Diderot voortaan over gevoelige onderwerpen alle zienswijzen naast elkaar. De lezer kon zo zelf zijn opinie vormen. Diderot was niet verantwoordelijk.
Uit angst voor de politie heeft Diderot zijn verdere leven nooit meer duidelijke uitspraken gedaan over het opperwezen.
Dat was in Frankrijk.

Frederik Ruysch over monsters

Hoe werd er een halve eeuw eerder over de Schepping, over het ontstaan van monsters gedacht in Amsterdam, door bijvoorbeeld een collectioneur van monsters Frederik Ruysch.
Frederik Ruysch verzamelde vooral het normale, maar hij bezat ook enkele monsters. Een van de topstukken van zijn verzameling, die nu in Sint-Petersburg wordt bewaard, in de Kunstkamera, is een kindje met twee hoofden. Studie van zijn geschriften heeft trouwens uitgewezen dat Ruysch het kindje niet zelf geprepareerd had. Hij schreef dat hij het kindje gekocht had. Hij vond het een slecht geprepareerd specimen. Maar dit terzijde.
Monsters kreeg hij vaker aangeboden. Zijn collectie menselijke anatomie genoot grote bekendheid. Ook zijn eigen monsters beschrijft hij in zijn catalogus. Maar hij plaatst een van die ongelukkig geboren kinderen, met te weinig vingers, op de tweede rij in zijn kabinet. Zo, schrijft Ruysch, zal deze onvolmaakt geborene de beschouwer niet doen schrikken.
Ons interesseert of hij ook een verklaring had voor monstruositeit.

Ruysch formuleert oorzaak van monstruositeit heel voorzichtig

Ruysch spreekt ferm over de door hem ontdekte baarmoederspier en het tussenschot in het balzakje. Maar daarentegen aarzelend over de oorzaak van monstruositeit. Het is een gevaarlijk onderwerp. Dezelfde techniek die Diderot in zijn encyclopedie zou gaan hanteren, gebruikt Ruysch. Ruysch doet geen bewering, hij geeft alleen een suggestie. Volgens hem kunnen monsters niet gevormd worden in de baarmoeder van een zwangere vrouw met een gevorderde zwangerschap in het geval dat deze vrouw plotseling schrikt. Omdat een ongeboren kind dan al zo ver gevormd is, dat het nooit zou kunnen veranderen door zo een oorzaak. Wat wel de oorzaak zou kunnen zijn moeten anderen maar zeggen, schrijft Ruysch. Hij heeft zich voorgenomen alleen dat te beschrijven wat hij in zijn kabinetten kan laten zien. Dat vindt hij veel nuttiger, eindigt hij. Thesaurus Anatomicus VI, Amsterdam, Wolters 1705. Preparaat VI, 38.

Ruysch’ collega’s verklaren monstruositeit op de oude manier

Ruysch nam duidelijk afstand van collega’s die zoals Malebranche meenden dat “schrik” monstruositeiten veroorzaakte. Of, zoals Joseph Guichard Duverney, die zelf ook veel preparaten had, maar niet uitsloot dat de goddelijke wil monstruositeit kon veroorzaken.
Je kunt Ruysch absoluut niet indelen bij de onderzoekers, die geloven in een schepping die volmaakt is. Hij noemt God in standaard verzuchtingen, maar discussieert niet met hem of met de bijbel. Wat hij wel doet is zorgen dat hij geen last krijgt met de autoriteiten. Een van zijn maatregelen is algemeen geachte Amsterdamse burgers te vragen gedichten te schrijven. Deze gedichten drukt hij af voorin catalogi die hij publiceert van zijn collectie. Deze vaak lange gedichten bezingen Ruysch collectie. Maar belangrijk is: Zij prijzen Gods schepping. Bovendien beloven de gedichten plechtig: ‘materialisten’ en ‘atheïsten’ die bij Ruysch zijn collectie komen bekijken, kunnen niet langer blijven beweren dat alle schepselen bij toeval tot stand zijn gekomen. Eigenlijk het omgekeerde van wat Ruysch denkt. Het viel mij trouwens nu pas op dat deze verzen ontbraken in de verzamelde werken die na Ruysch dood verschenen, in 1744. Kennelijk hebben de verzen dan hun functie verloren.
Niet iedereen was zo handig als Ruysch.
Zelfs niet in Amsterdam. In Amsterdam stierf de arts Adriaen Koerbagh. Hij had in 1668 een boek laten drukken. Niet in het Latijn maar in het voor iedereen toegankelijke Nederlands: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen. Daarin werd oneerbiedig over alle godsdiensten gesproken, God en Natuur vielen voor hem samen en wonderen zijn in strijd met de natuurwetten. Zijn manuscript, en de eerste gedrukte katernen werden door de schout in beslag genomen. Hij werd veroordeeld tot 10 jaar dwangarbeid. Na enkele maanden in het Amsterdamse rasphuis, stierf hij, aan zijn ontberingen. Dat was 1669.

O ironie

Wij, hier in Petersburg, hebben een wel heel bijzondere collectie monsterlijk geboren kinderen te danken, aan de rondleiding, die Frederik Ruysch gaf aan de 29 jarige Peter  Michajlovitsj.

Tsaar Peter I, 1697
Deze Russische tsaar blijft ongetwijfeld de beroemdste leerling van Ruysch. In Amsterdam zou hij heel goed uit de mond van Ruysch diens denkbeelden over het ontstaan van monsters gehoord kunnen hebben. Hij volgde immers lessen van Ruysch in 1697-1698 in Amsterdam en bekeek er diens collectie.
Vast staat dat terug in Rusland deze leerling de in Rusland gangbare verklaring voor een monsterlijke geboorte krachtig ging bestrijden, de opvatting dat een monsterlijk kind het gevolg kon zijn van schrik van zijn zwangere moeder. Hij bestreed ook de opvatting dat de duivel monsters maakte in de baarmoeders van vrouwen.

Tsaar Peter vaardigt wetten uit om alle menselijke monsters en ook dieren-monsters in te leveren bij zijn Kunstkamera in Sint-Petersburg

Dat weten wij omdat die leerling van Ruysch in Rusland wetten uitvaardigde dat monsterlijk geboren mensen en dieren aan het bevoegd gezag moesten worden overhandigd. Waarna de monsters moesten worden tentoongesteld met het doel de tsaar zijn verlichte inzichten met zijn onderdanen kon delen en daardoor hun angsten voor de duivel weg kon nemen. Monstra of misgeboorten mochten niet langer worden geïnterpreteerd als werk van de duivel. De duivel bestond niet en had geen macht. Monstra moesten worden bestudeerd als ‘spelingen der natuur’, een storing in het groeiproces.
Anders dan Ruysch en Diderot hoefde Peter in Rusland de autoriteiten niet te vrezen. Peter was zelf heerser, autokrator. Ook over de Russisch orthodoxe kerk. Die liet hij besturen door een synode samengesteld uit door hem geselecteerde intellectuelen. In andere landen van Europa zou het nog heel lang duren voordat je openlijk, zonder de camouflage methode van Ruysch de Volmaaktheid van de schepping kon betwijfelen.

Jozien Driessen van het Reve, Amsterdam 2 oktober 2014

In Russische vertaling in een bundel ter nagedachtenis van Nikolaj Aleksandrovitsj Kopanev (1957-2013) verschenen in 2016.
Дриссен-ван хет Реве Й. Открытие несовершенства творения мира: как деятели Радикального просвещения излагали свои идеи – от Фредерика Рюйша до Дени Дидро // // Россия и западноевропейское Просвещение: Памяти Николая Александровича Копанева / Отв. ред. В.Р. Фирсов. СПБ: Российская национальная библиотека, 2016. С. 66-72.

Nikolaj Kopanev (1957-2013) in de bibliotheek van Voltaire

Meest recente berichten